Verbo de holandês

ー3377 verbosー

aaien   aanaarden   aanademen   aanbaffen   aanbaggeren   aanbakken   aanballen   aanbanden   aanbassen   aanbehoren   aanbelanden   aanbellen   aanbenen   aanberen   aanbesteden   aanbeteren   aanbetrouwen   aanbevelen   aanbidden   aanbieden   aanbijten   aanbikken   aanbinden   aanblazen   aanbleken   aanblessen   aanblijven   aanblikken   aanbloeden   aanboegen   aanboeken   aanboeten   aanbollen   aanbonzen   aanboorden   aanboren   aanbotsen   aanbouwen   aanbraden   aanbranden   aanbrassen   aanbreien   aanbreken   aanbrengen   aanbrullen   aanbulderen   aandammen   aandienen   aandikken   aandoen   aandraaien   aandragen   aandraven   aandrijven   aandringen   aandrinken   aandrukken   aanduiden   aandurven   aanduwen   aaneenbinden   aaneenboeien   aaneenbrengen   aaneenflansen   aaneenhechten   aaneenketenen   aaneenkitten   aaneenklampen   aaneenkleven   aaneenklinken   aaneenkluisteren   aaneenknopen   aaneenkoeken   aaneenkoppelen   aaneenlassen   aaneenlijmen   aaneennaaien   aaneennagelen   aaneenplakken   aaneenrijgen   aaneenschakelen   aaneenschrijven   aaneensluiten   aaneensmeden   aaneensnoeren   aaneensolderen   aaneenstoten   aaneenstrikken   aaneenvlechten   aaneenvoegen   aaneenwellen   aaneenzetten   aanflitsen   aanfloepen   aanfluiten   aanfokken   aangaan   aangapen   aangeven   aangieten   aanglijden   aangloren   aangluipen   aangluren   aangooien   aangrimmen   aangrinniken   aangroeien   aangrommen   aanhaken   aanhalen   aanhangen   aanharken   aanhechten   aanheffen   aanhelen   aanhelpen   aanhitsen   aanhobbelen   aanhogen   aanhoren   aanhouden   aanjagen   aanjanken   aanjuichen   aankaarten   aankalken   aankappen   aankarren   aankauwen   aankerven   aankijken   aanklagen   aanklampen   aanklappen   aanklauwen   aankleden   aanklemmen   aanklinken   aankloppen   aanklossen   aankneden   aanknopen   aankomen   aankondigen   aankopen   aankoppelen   aankoppen   aankorsten   aankrammen   aankruien   aankruisen   aankunnen   aankwakken   aankweken   aanlanden   aanlangen   aanlappen   aanlassen   aanlaten   aanleggen   aanleiden   aanlengen   aanleren   aanliggen   aanlijken   aanlijmen   aanlijnen   aanloeren   aanlokken   aanlonken   aanlopen   aanmaken   aanmanen   aanmarcheren   aanmelden   aanmengen   aanmeren   aanmerken   aanmeten   aanmetselen   aanmodderen   aanmoedigen   aanmoeren   aanmunten   aannaaien   aannagelen   aannemen   aanpakken   aanpappen   aanpassen   aanpennen   aanpersen   aanpijpen   aanpikken   aanplakken   aanplanten   aanplempen   aanploegen   aanploffen   aanporren   aanpoten   aanpraaien   aanpraten   aanpreken   aanprijzen   aanprikkelen   aanprikken   aanpunten   aanraden   aanraken   aanranden   aanrazen   aanrazeren   aanrechten   aanreiken   aanrekenen   aanrichten   aanrijden   aanrijgen   aanrijpen   aanrijven   aanrimpelen   aanristen   aanritsen   aanroepen   aanroeren   aanroesten   aanrollen   aansarren   aanschaffen   aanschakelen   aanschaven   aanschellen   aanschemeren   aanscherpen   aanschieten   aanschoffelen   aanschouwen   aanschrappen   aanschreeuwen   aanschreien   aanschrijden   aanschrijven   aanschroeven   aanschuieren   aanschuinen   aanschuiven   aansingelen   aansissen   aansjorren   aansjouwen   aansjouwen   aanslepen   aanslijmen   aanslijpen   aanslingeren   aansloffen   aansluipen   aansluiten   aansmeden   aansmeken   aansmelten   aansmeren   aansmeulen   aansmijten   aansnauwen   aansnijden   aansnoeren   aansolderen   aanspannen   aanspelden   aanspelen   aanspijkeren   aanspijlen   aanspinnen   aanspitsen   aansplitsen   aanspoeden   aansporen   aanspreken   aanspugen   aanspuwen   aanstaan   aanstaarten   aanstampen   aanstaren   aansteken   aanstellen   aanstemmen   aanstichten   aanstijgen   aanstijven   aanstijven   aanstikken   aanstippen   aanstoffen   aanstoken   aanstoppen   aanstorten   aanstoten   aanstouwen   aanstrepen   aanstrijken   aanstrikken   aanstuiken   aanstuwen   aansukkelen   aantappen   aantasten   aantekenen   aantelen   aantellen   aantichten   aantikken   aantillen   aantimmeren   aantoefelen   aantokkelen   aantonen   aantoveren   aantrappen   aantreden   aantreden   aantreffen   aantrekken   aanturen   aanvaarden   aanvallen   aanvatten   aanvechten   aanvegen   aanverdienen   aanvertrouwen   aanvetten   aanvijlen   aanvijzen   aanvlakken   aanvlammen   aanvlammen   aanvlechten   aanvletten   aanvlijen   aanvochten   aanvoegen   aanvoelen   aanvoeren   aanvollen   aanvonken   aanvragen   aanvreten   aanvriezen   aanvullen   aanvuren   aanwakkeren   aanwakkeren   aanwassen   aanwellen   aanwenden   aanwenken   aanwentelen   aanwentelen   aanwerken   aanwerpen   aanwerven   aanwijeren   aanwijzen   aanwinden   aanwinnen   aanwinteren   aanwitten   aanwrijven   aanwuiven   aanzaaien   aanzagen   aanzakken   aanzanden   aanzegelen   aanzeggen   aanzenden   aanzetten   aanzeulen   aanzien   aanzitten   aanzoeten   aanzoeten   aanzouten   aanzouten   aanzuiveren   aanzuren   aanzuren   aanzwarten   aanzwellen   aanzwengelen   aanzwepen   aanzweren   aarzelen   abandonneren   abduceren   abhorreren   abimeren   aboleren   aborderen   aborteren   absolveren   absorberen   abstraheren   abuseren   accableren   accapareren   accelereren   accentueren   accepteren   acclimatiseren   accommoderen   accompagneren   accorderen   accosteren   accoucheren   accrediteren   accrocheren   accumuleren   accuseren   achten   achteraanblijven   achteraankomen   achteraanlopen   achteraanzitten   achterafbrengen   achterafzetten   achterblijven   achterhalen   achterhouden   achterlappen   achterlaten   achterliggen   achterlopen   achternagaan   achternageven   achternahollen   achternalopen   achternarijden   achternazenden   achternazitten   achteromhalen   achteromkijken   achteromkomen   achteromzien   achteropkomen   achteroverdrukken   achteroverslaan   achterovervallen   achterstaan   achterstellen   achteruitbidden   achteruitboeren   achteruitdeinzen   achteruitdeinzen   achteruitgaan   achteruitkrabbelen   achteruitleren   achteruitlopen   achteruitmarcheren   achteruitrijden   achteruitschoppen   achteruitschuiven   achtervolgen   acquitteren   acteren   actioneren   activeren   actualiseren   actueren   adapteren   adderen   addiceren   adduceren   ademen   ademhalen   adequeren   aderiseren   adhereren   adjectiveren   adjudiceren   adjungeren   adjusteren   administreren   admitteren   adopteren   adoreren   adosseren   adouceren   adresseren   adstrueren   adverteren   adviseren   afbakenen   afbeelden   afbellen   afbetalen   afbetten   afbeulen   afbijten   afbinden   afblokken   afbluffen   afboenen   afborstelen   afbreken   afbuigen   afchecken   afdalen   afdanken   afdeinzen   afdekken   afdingen   afdoen   afdraaien   afdragen   afdreigen   afdrentelen   afdribbelen   afdrijven   afdringen   afdrinken   afdrogen   afdruipen   afdrukken   afduiken   afdwalen   afdweilen   afdwingen   afeten   affineren   affirmeren   afflikken   affluiten   affolen   affoleren   affolteren   affrezen   affronteren   affutselen   afgaan   afgappen   afgazen   afgieten   afgillen   afgluren   afgoochelen   afgooien   afgorden   afgrauwen   afgraven   afgrendelen   afgrijpen   afgrommen   afgronden   afgruizelen   afhaken   afhakken   afhalen   afhameren   afhandelen   afhappen   afharken   afhaspelen   afhechten   afheien   afhengelen   afhogen   afhollen   afhoren   afhouden   afhouwen   afhuilen   afhuppelen   afhuren   afijlen   afjachten   afjagen   afjakkeren   afkaatsen   afkakelen   afkalken   afkankeren   afkanten   afkapen   afkappen   afkatten   afkauwen   afkaveren   afkeilen   afkeren   afkerven   afkeuren   afkicken   afkijken   afkijven   afklampen   afklappen   afklauteren   afkleden   afklemmen   afkleppen   afkletsen   afkleuren   afklimmen   afklokken   afkloppen   afkluiven   afknabbelen   afknagen   afknallen   afknarpen   afknauwen   afknellen   afkneuzen   afknevelen   afknibbelen   afknijpen   afknippen   afknoeien   afknokken   afknopen   afkoelen   afkomen   afkondigen   afkopen   afkoppelen   afkorten   afkrabbelen   afkrabben   afkraken   afkrassen   afkrauwen   afkrijgen   afkrijten   afkruien   afkuipen   afkuisen   afkukelen   afkussen   afkwakken   afkwanselen   afkwasten   afkwispelen   afladen   aflakken   aflangen   aflappen   aflazeren   aflebberen   afleggen   afleiden   aflenen   afleren   afletteren   afleveren   aflezen   aflichten   aflikken   afloeren   aflogen   aflokken   aflopen   aflossen   afluisteren   afluizen   afmaaien   afmaken   afmalen   afmartelen   afmazen   afmelden   afmelken   afmesten   afmeten   afmetselen   afmieteren   afmijnen   afmikken   afmonteren   afmunten   afnaaien   afnemen   afnokken   afnummeren   afpachten   afpakken   afpalen   afpanden   afpassen   afpennen   afperken   afpersen   afpeuteren   afpeuzelen   afpijnen   afpijnigen   afpikken   afpingelen   afplakken   afplatten   afpleiten   afploegen   afploffen   afplukken   afplunderen   afpoeieren   afpoetsen   afpraten   afpreken   afprevelen   afpriegelen   afprikken   afproeven   afprossen   afprutsen   afpulken   afpunten   afrabbelen   afraden   afraffelen   afragen   aframmelen   afranden   afranselen   afraspen   afratelen   afrazen   afreiken   afreizen   afrekenen   afremmen   afrennen   afrepelen   afrepen   africhten   afriemen   afrijden   afrijgen   afrijmen   afrijten   afrijven   afristen   afritsen   afroepen   afroffelen   afronden   afronselen   afrossen   afroven   afruilen   afruimen   afrukken   afsabbelen   afsabberen   afsabelen   afschaduwen   afschaffen   afschakelen   afschaven   afscheiden   afschellen   afschenken   afschepen   afscheppen   afscheren   afschermen   afscheuren   afschieten   afschilderen   afschillen   afschimpen   afschoffelen   afschooien   afschoppen   afschotelen   afschrabben   afschrapen   afschrappen   afschreeuwen   afschreien   afschrijven   afschrikken   afschrobben   afschroeven   afschudden   afschuinen   afschuiven   afschuren   afseinen   afserveren   afsjacheren   afsjouwen   afslaan   afslachten   afslenteren   afslepen   afsleuren   afslingeren   afsloffen   afslopen   afsloven   afsluipen   afsluiten   afsmakken   afsmallen   afsmeren   afsmijten   afsmokkelen   afsnauwen   afsnellen   afsnijden   afsnoeien   afsnoepen   afsnoeren   afspannen   afspelden   afspelen   afspeten   afspeuren   afspieden   afspioneren   afspitten   afsplijten   afspoelen   afsponsen   afspouwen   afspreken   afspringen   afsprokkelen   afspuiten   afstaan   afstammen   afstampen   afstapelen   afstappen   afstaren   afsteken   afstelen   afstellen   afstemmen   afstempelen   afstijgen   afstippen   afstoffen   afstommelen   afstompen   afstoppen   afstormen   afstoten   afstraffen   afstrelen   afstrepen   afstrippen   afstrompelen   afstropen   afstruikelen   afstruinen   afstuderen   afsturen   afsukkelen   aftappen   aftasten   afteisteren   aftekenen   aftellen   aftikken   aftillen   aftimmeren   aftippelen   aftobben   aftoffelen   aftokken   aftomen   aftoppen   aftorsen   aftrappen   aftreden   aftrekken   aftreuren   aftroeven   aftroffelen   aftroggelen   aftronen   aftuigen   aftuimelen   afturen   afvaardigen   afvallen   afvangen   afvatten   afvegen   afvemen   afvenen   afventen   afvergen   afvertellen   afverven   afvetten   afvieren   afvijlen   afvijzen   afvillen   afvissen   afvlaggen   afvlakken   afvlechten   afvleien   afvlezen   afvliezen   afvlijmen   afvloeien   afvloeien   afvloeken   afvluchten   afvoeren   afvorderen   afvragen   afwachten   afwegen   afwenden   afweren   afwijken   afwijzen   afwikkelen   afwisselen   afzeggen   afzetten   afzien   afzonderen   agaceren   agenderen   ageren   aggregeren   agioteren   agnosceren   akkeren   alarmeren   alcoholiseren   aligneren   alkyleren   alleenlaten   alleenzitten   allongeren   alluderen   alterneren   amalgameren   amanderen   ambreren   ambuleren   amplificeren   amputeren   amuseren   analyseren   anatematiseren   anatomiseren   animeren   annexeren   annoteren   annuleren   antichambreren   anticiperen   antwoorden   applaudisseren   arbitreren   archiveren   arresteren   arriveren   articuleren   assimileren   associëren   baaien   baarzen   babbelen   bagatelisseren   baggelen   baggeren   bakken   barsten   baten   beantwoorden   bebouwen   bedaren   bedekken   bedelen   bedenken   bederven   bedienen   bedoelen   bedotten   bedreigen   bedriegen   bedrijven   bedroeven   bedwingen   beetnemen   beffen   begaan   begeleiden   begeven   begiftigen   beginnen   begraven   begrijpen   begroeten   behalen   behandelen   beheersen   beheren   behoeven   behoren   behouden   bejegenen   bekendmaken   bekennen   bekeren   bekijken   bekleden   beklimmen   bekorten   bekrachtigen   bekronen   belasten   beledigen   belegeren   beleggen   belemmeren   beletten   beleven   belichten   bellen   beloven   bemesten   benadrukken   benauwen   benijden   benoemen   benutten   beoefenen   beoordelen   bepalen   beperken   bepleiten   beramen   bereiken   berekenen   bergen   berichten   berispen   beroven   beschadigen   beschermen   beschieten   beschikken   beschouwen   beschrijven   beschuldigen   beseffen   beslissen   besluiten   besmetten   besmeuren   bespatten   bespioneren   bespoedigen   bespreken   besprenkelen   besproeien   besteden   bestellen   bestemmen   bestrooien   bestuderen   besturen   betalen   betasten   betegelen   betekenen   betoveren   betrappen   betreffen   betreuren   betwijfelen   betwisten   beuken   bevatten   beveiligen   bevelen   beven   bevestigen   bevochtigen   bevoorraden   bevorderen   bevrijden   bevruchten   bevuilen   bewaken   bewapenen   bewaren   bewegen   beweren   bewerken   bewerkstelligen   bewijzen   bewonderen   bewonen   bezetten   bezichtigen   bezien   bezitten   bezoedelen   bezoeken   bezorgen   bezuinigen   bezwendelen   bezwijken   bibberen   bidden   bieden   bijdragen   bijstaan   bijten   bijvoegen   bijvullen   bijwonen   binden   biologeren   blaffen   blazen   blijken   blijven   blinken   bloeden   blokkeren   blozen   blussen   boeien   boenen   boeren   boksen   bombarderen   borduren   boren   borstelen   bouwen   bowlen   boycotten   braden   branden   breien   breken   brengen   brouwen   bruineren   buigen   cabaleren   cacheren   cachetteren   cadanceren   cajoleren   calculeren   caleren   caloriseren   calqueren   cambreren   camoufleren   cancaneren   canderen   canneleren   canoniseren   capitonneren   capituleren   caprioleren   capsuleren   captiveren   carbolineren   carboniseren   caresseren   castigeren   castreren   catalogiseren   catechiseren   categoriseren   cauteriseren   caveren   cederen   celebreren   cementeren   censeren   censureren   centraliseren   centreren   centrifugeren   centupleren   certificeren   cesseren   chagrineren   chambreren   chanteren   chaperonneren   chaptaliseren   chargeren   charmeren   charteren   chaufferen   chauffeuren   checken   chicaneren   choqueren   chromeren   chronometreren   circuleren   ciseleren   citeren   civiliseren   clarificeren   classificeren   claxonneren   clicheren   coachen   codificeren   cohabiteren   coifferen   coleren   collaboreren   collationeren   collecteren   collideren   collimeren   coloreren   colporteren   combineren   commanderen   commenteren   commercialiseren   commiteren   communiceren   commuteren   compareren   compartimenteren   compelleren   compenseren   competeren   completeren   compliceren   complimenteren   componeren   comprimeren   compromitteren   concederen   concelebreren   concentreren   concerneren   concerteren   concessioneren   concluderen   concretiseren   concurreren   condenseren   conditioneren   condoleren   confabuleren   confedereren   confereren   confineren   confirmeren   confisqueren   conformeren   confronteren   conjugeren   conquesteren   consacreren   consenteren   conserveren   considereren   consigneren   consolideren   constateren   constitueren   construeren   consuleren   consulteren   consumeren   contact opnemen met   contacteren   contamineren   contempleren   contenteren   contingenteren   continueren   contracteren   contradiceren   contraheren   contramineren   contraponeren   contrasigneren   contribueren   controleren   converseren   converteren   convoceren   copuleren   corresponderen   corrigeren   corroderen   corrospenderen   corrumperen   coteren   coucheren   counselen   counteren   couperen   coupleren   courtiseren   couvreren   coveren   crediteren   creneleren   creosoteren   creëren   criminaliseren   culbuteren   culmineren   cultiveren   cumuleren   curetteren   cursiveren   cuveleren   dalen   dalven   dammen   danken   dansen   dartelen   dassen   dateren   deballoteren   debarkeren   debarrasseren   debatteren   debiteren   deblokkeren   debrailleren   debrayeren   debuteren   decalqueren   decamperen   decanteren   decaperen   decatiseren   decentraliseren   decerneren   dechargeren   dechiffreren   decideren   decimeren   declameren   declareren   declasseren   declineren   decoderen   decolleren   deconditioneren   decoreren   decouperen   decrediteren   decrescenderen   decreteren   dedicaceren   dedouaneren   deduceren   deelnemen   deemoedigen   defenderen   defibrilleren   definiëren   defloreren   deformeren   defosfateren   defungeren   degageren   degommeren   degraderen   deinzen   dejeuneren   dekken   dekoloniseren   dekselen   delamineren   delegeren   delen   delgen   delireren   delven   demagnetiseren   demaquilleren   demarqueren   demarreren   demaskeren   dementeren   demitteren   demobiliseren   demonetiseren   demonstreren   demonteren   demoraliseren   dempen   demulgeren   demystificeren   denaturaliseren   denatureren   denigreren   denken   denonceren   denuderen   deodoriseren   depanneren   depasseren   deplaceren   deployeren   depolitiseren   deponeren   deporteren   depouilleren   depreciëren   deprimeren   deprogrammeren   deputeren   derailleren   derangeren   dereguleren   derven   desacraliseren   desactiveren   desarmeren   desavoueren   deseksualiseren   desensibiliseren   deserteren   designeren   desinfecteren   desinvesteren   desisteren   desorganiseren   dessineren   destabiliseren   destaliniseren   destineren   destrueren   detacheren   detailleren   determineren   detesteren   detineren   detoneren   detremperen   deuken   deunen   devalueren   devesteren   devolveren   diagnosticeren   diagnostiseren   dialogiseren   dialyseren   dichtdoen   dichtdraaien   dichtdrukken   dichten   dichtgooien   dichtknijpen   dichtmaken   dichtnaaien   dichtplakken   dichtreven   dichtschroeven   dichtslaan   dichtsluiten   dichtspijkeren   dichtvallen   dichtvriezen   dicteren   dienen   diepen   dieven   diffunderen   digereren   digitaliseren   dilateren   diletteren   dilueren   dimensioneren   dineren   dingen   diplomeren   dippen   dirigeren   disciplineren   disconteren   discrimineren   diskwalificeren   disloqueren   dispenseren   dispergeren   disponeren   disputeren   dissecteren   disselen   dissolveren   distilleren   distingeren   distribueren   divideren   dobbelen   doceren   documenteren   doddelen   doden   dodijnen   doedelen   doeken   doelen   doemen   doen   doezelen   doffen   dogen   dogmatiseren   dokken   dokteren   dolen   dollen   dolmen   domineren   dommelen   dompelen   donzen   doodbijten   dooien   doorboren   doorbrengen   doordrenken   doorgaan   doorstaan   doorzien   dopen   doppen   dormen   dorren   dorsen   doseren   dosseren   doubleren   douchen   doven   draaien   dragen   draineren   dramatiseren   drammen   draperen   dreggen   dreigen   dreinen   dremmen   drenken   drentelen   drenzen   dresseren   dreutelen   drevelen   dribbelen   dribbleren   driften   drijven   drillen   dringen   drinken   droelen   drogen   drogeren   dromen   droogleggen   dropen   drossen   druilen   druipen   drukken   drummen   dubbelen   dubben   duchten   duiden   duiken   duimelen   dulden   dumpen   dunnen   dupliceren   durven   dutten   duwen   dwalen   dwarrelen   dwarsbomen   dwepen   dwingen   eisen   elimineren   emailleren   emigreren   endosseren   ergeren   ervaren   erven   escorteren   eten   etiketteren   evacueren   evalueren   excuseren   executeren   expireren   exporteren   fabelen   fabriceren   fabuleren   facetteren   factoreren   factureren   failleren   fakkelen   falen   falsificeren   fantaseren   farceren   fascineren   fatigeren   fatsoeneren   fausseren   favoriseren   faxen   fazelen   façonneren   federaliseren   feesten   feilen   feliciteren   femelen   feuilleteren   fiepen   fietsen   figureren   filmen   filosoferen   filteren   filtreren   financieren   fineren   fingeren   fitten   fixeren   flabben   flakkeren   flamberen   flaneren   flankeren   flansen   flappen   flatteren   flauwslaan   flauwvallen   flecteren   flemen   flensen   fleppen   flessen   fletcheren   fletsen   fleuren   flikflooien   flikken   flinken   flippen   flipperen   flirten   flonkeren   floreren   florsen   flossen   floteren   fluctueren   fluimen   fluisteren   fluiten   fluoreren   fluoresceren   fluorideren   fnuiken   focussen   focusseren   foefelen   foerageren   foetelen   foeteren   foezelen   fokken   folen   folteren   fomenteren   fonkelen   fooien   foppen   forceren   forenzen   formaliseren   formeren   formuleren   fortificeren   fosforesceren   fotograferen   fouilleren   fourneren   fractioneren   fragmentariseren   franciseren   frankeren   frapperen   fraseren   frauderen   frazelen   frequenteren   fretten   fretteren   frezen   fribbelen   frictioneren   friemelen   frijnen   friseren   frissen   friteren   fritten   frituren   froisseren   frommelen   fronderen   fronselen   fronsen   frotteren   fruiten   frullen   frunniken   frustreren   frutselen   fuiven   fulmineren   functioneren   funderen   fungeren   fusilleren   fusioneren   fusten   futselen   gaan   gabberen   gaderen   gaffelen   gaggelen   gakken   gallen   galliseren   galmen   galonneren   galpen   galvaniseren   gapen   garanderen   garen   gareren   garneren   garrotteren   garven   gasteren   gaten   gaufreren   gebieden   gebruiken   gelden   geloven   genereren   genezen   genieten   getuigen   geven   giebelen   giechelen   gieren   gieten   gijzelen   gillen   gipsen   gireren   gispelen   gispen   gissen   gisten   glaceren   glaren   glazuren   gleizen   glijden   glimlachen   glimmen   gooien   gorgelen   graven   grienen   grijpen   groeien   groeten   grommen   gunnen   haasten   hakken   halen   hallucineren   hameren   handelen   hangen   hanteren   haten   hebben   heersen   heffen   helpen   herenigen   herhalen   herinneren   herkennen   herkiezen   hernieuwen   heroveren   heroverwegen   herroepen   herschikken   herstellen   hervormen   herwinnen   herzien   heten   hijgen   hijsen   hikken   hinderen   hinken   hoesten   hopen   horen   houden   houwen   huilen   huisvesten   huiveren   huren   hypnotiseren   inademen   industrialiseren   inkleuren   inleveren   inschakelen   instellen   intoetsen   invoegen   invoeren   invriezen   jachten   jagen   jakkeren   jammen   jammeren   jangelen   jappaneren   jassen   jatten   jeinen   jennen   jeukelen   jodelen   joderen   joechelen   joedelen   joggelen   jokken   jolen   jollen   jonassen   jongleren   jubelen   judassen   judiceren   juichen   jukken   jumeleren   jureren   justeren   justificeren   kaaiboeren   kaaien   kadreren   kafferen   kaften   kakelen   kaken   kalibreren   kalken   kallegaaien   kalmeren   kalmeren   kameren   kamferen   kammen   kamperen   kanaliseren   kannibaliseren   kannoneren   kansen   kantelen   kanten   kantonneren   kapen   kapitalen   kapitaliseren   kapittelen   kapoenen   kappen   karakteriseren   karateren   karikaturiseren   karmijnen   karnen   karnoffelen   karren   kartelen   karteren   kartonneren   karweien   kasjeren   kasseien   kasteleinen   kastijden   katalyseren   katoliseren   katsen   katten   kauwen   kavelen   kaveren   kawauwen   kazematteren   keeuwen   keffen   keggen   keilen   keinen   kekelen   keken   kelderen   kelen   kelneren   kenmerken   kennen   kenschetsen   kentekenen   kenteren   kenteren   kepen   keperen   keren   kerken   kermen   kernen   kerstenen   ketelen   keten   ketenen   ketsen   kettelen   ketteren   keukelen   keuren   keutelen   keuteren   keuvelen   keuzelen   kevelen   keveren   kezen   kibbelen   kidnappen   kieken   kiekeren   kielen   kielhalen   kiemen   kienen   kiepelen   kieperen   kieren   kieskauwen   kietelen   kiezen   kijken   kijven   kikhalzen   kikken   kikkeren   kimmen   kinderen   kirren   kiskassen   kissebissen   kissen   kissevissen   kisten   kitsen   kittelen   klabasteren   klabetteren   klabotsen   kladden   kladderen   klagen   klakken   klampen   klappen   klapperen   klapwieken   klaren   klaroenen   klassen   klasseren   klassineren   klatten   klauteren   klauwen   klaveren   klawieren   kledderen   kleden   klefferen   kleineren   kleisteren   klemmen   klenzen   klepelen   kleppen   klepperen   klessebessen   kletsen   kletteren   kleumen   kleuren   kleven   kliederen   klieken   kliemen   klienen   klieren   klieven   klimatiseren   klimmen   klingelen   klinken   klinkeren   klisteren   klodderen   kloeken   kloenen   kloeten   kloken   klokken   klonen   klonteren   klooien   kloosteren   kloppen   klossen   kloten   kloteren   klotsen   kloven   kluften   kluisteren   kluiven   kluizen   klungelen   klunzen   klussen   knabbelen   knakken   knauwen   knechten   kneden   knellen   knerpen   kneukelen   kneuteren   kneuzen   knevelen   knibbelen   knielen   kniepoten   kniezen   knijpen   knijzen   knikkebenen   knikkebollen   knikken   knikkeren   knipogen   knippen   knipperen   knisteren   knitteren   knobelen   knoefelen   knoeien   knoeselen   knokken   knooien   knopen   knoppen   knorren   knoteren   knotsen   knotten   knuffelen   knungelen   knuppelen   knutselen   knutteren   kochelen   koeioneren   koekeloeren   koeken   koelen   koelen   koeren   koersen   koesteren   koeteren   kofferen   koken   kokeren   koketteren   kokhalzen   kokkelen   kokken   kokkerellen   kokkeren   kolderen   kolen   kolken   kollen   koloniseren   kolven   komen   komplotteren   konfijten   konkelen   kopen   koperen   kopiëren   koppelen   koppen   koprollen   koren   korrelen   korten   kortvleugelen   kortwieken   kosten   kosteren   koten   koteren   kotsen   kouten   kraaien   krabbelen   krabben   krakelen   kraken   kralen   kramen   krammen   krasselen   krassen   kratsen   krauten   krauwen   krawaken   kreeuwen   krekelen   kremmelen   krengelen   krengen   krenken   krenten   kreppen   kressen   kreukelen   kreunen   kreupelen   krevelen   kribbelen   kriebelen   krielen   kriemelen   kriemen   krieuwelen   krijgen   krijsen   krijten   krijten   krikken   krimpen   kringelen   krinsen   krippen   krissen   kritiseren   kritsen   krochelen   krochen   kroden   kronen   kronkelen   kroppen   kroppen   kroppen   krotten   krozen   kruchen   kruiden   kruien   kruiken   kruimelen   kruimen   kruinen   kruipen   kruisen   kruisigen   kruiven   krukken   krullen   kuberen   kuchelen   kuchen   kuieren   kuilen   kuimen   kuipen   kuisen   kuiven   kuizen   kullen   kunnen   kunstelen   kuren   kurken   kussen   kwaadspreken   kwadreren   kwaken   kwakkelen   kwakken   kwalificeren   kwanselen   kwantificeren   kwartelen   kwartileren   kwasten   kwatten   kwebbelen   kweesten   kweken   kwekken   kwelen   kwellen   kwetelen   kwetsen   kwettelen   kwetteren   kwezelen   kwijlen   kwijnen   kwijten   kwijtraken   kwijtschelden   kwikken   kwinkeleren   kwispelen   kwispelstaarten   kwisten   kwiteren   kwitsen   kworren   kyaniseren   laarzen   labbeien   labbekakken   labelen   laboreren   lachen   ladderen   laden   laederen   laken   lakken   lallen   lambrizeren   lamelleren   lamenteren   lameren   lamijnen   lamineren   lamleggen   lammen   lammeren   lampetten   lanceren   landen   landen   langen   langen   lanteren   lanterfanten   lanterluien   lappen   larderen   lassen   lasten   lasteren   laten   lateren   latereren   latiniseren   latoeneren   latten   laurieren   lauwen   laven   laveren   lawaaien   laxeren   lazeren   lazeren   lazuren   laïceren   laïciseren   lebberen   ledigen   leewieken   legaliseren   legateren   legen   legeren   leggen   legitimeren   leiden   lellen   lemen   lemmen   lemmeren   lenen   lenigen   lensen   leppen   lepperen   leraren   leren   lessen   letten   letteren   leunen   leuren   leuteren   leuzen   leven   leveren   lezen   liasseren   liberaliseren   lichten   liefhebben   liefhebberen   liefkozen   liegen   liemen   lieren   liflaffen   liften   liggen   lijden   lijken   lijmen   lijnen   lijpen   lijperen   lijsten   lijzen   likkebaarden   likken   lillen   limiteren   lippen   liquideren   lispelen   lissen   litograferen   liëren   lobben   lobberen   lobbyen   lodderen   loden   loeken   loensen   loepen   loeren   loerogen   loeven   logen   logenstraffen   logeren   loggen   lojeren   lokaliseren   lokazen   lokken   lollen   lonen   longeren   lonken   loochenen   loodsen   looien   lopen   losbakeren   lossen   loten   loteren   louteren   loven   lozen   luchten   luiden   luieren   luiken   luimen   luimeren   luipen   luisteren   luizen   lullen   lumbecken   lummelen   lunchen   lunderen   lunteren   lurken   lussen   lusten   lustreren   luteren   lutsen   lynchen   maaibenen   maaien   maaikanten   maaivoeten   maaltijden   macadamiseren   macereren   machinaliseren   machineren   machtigen   madammen   maffen   magnetiseren   mainteneren   maitriseren   majemen   majoreren   majoriseren   makelen   maken   malen   maliën   mallen   maltraiteren   mammen   managen   mandateren   manen   mangelen   manicuren   manifesteren   manipuleren   manken   mankeren   mannen   manoeuvreren   mapperen   maquilleren   marchanderen   marcheren   marcotteren   marginaliseren   margineren   marineren   markeren   markotten   marlen   marmelen   marmeren   maroderen   maroufleren   marren   martelen   marten   maskeren   massacreren   masseren   masten   mastieken   masturberen   mathematiseren   matigen   matsen   matten   matteren   maximeren   mazen   meanderen   mechaniseren   mededelen   mediatiseren   mediceren   medicineren   mediteren   meesteren   meien   meieren   mekkeren   melden   melen   melken   memmen   memoreren   memoriseren   menageren   mendelen   menen   meneren   mengen   mengwoelen   mennen   menstrueren   mentioneren   meppen   mercantilliseren   mercantilliseren   merceriseren   meren   mergelen   meriteren   merken   mesmeriseren   messen   mesten   metalliseren   metanalyseren   meten   metselen   meubelen   meubileren   meuken   meuken   meuren   meuzelen   mevrouwen   middelen   mieteren   migreren   mijden   mijmeren   mijnen   mijnheren   mijten   mijteren   mikken   militariseren   mimeren   minachten   minauderen   minimaliseren   miniseren   ministreren   minnekozen   minoreren   minuteren   misachten   misbeuren   misbruiken   misdelen   misdrijven   misduiden   misgelden   misgeven   misgunnen   mishandelen   miskennen   misleiden   mismaken   mismeesteren   mispakken   mispeuteren   mispikkelen   misprijzen   missen   missioneren   mistekenen   mistrouwen   misvormen   mithridatiseren   mitigeren   mitiniseren   mitrailleren   mixen   mobiliseren   modden   modderen   modelleren   modereren   moderniseren   modificeren   moduleren   moederen   moeien   moeren   moeten   moffelen   mogen   moggelen   moireren   mokeren   mokkelen   mokken   molesteren   mollen   molmen   mommen   mompelen   monopoliseren   monsteren   monteren   mopperen   motiveren   nabootsen   nadenken   nakijken   naturaliseren   negeren   nemen   neuken   neutraliseren   noemen   normaliseren   noteren   nummeren   oefenen   omschakelen   omvatten   omzetten   onderbreken   onderbrengen   onderhandelen   onderhouden   ondermijnen   ondernemen   onderscheiden   ondertitelen   onderverhuren   ondervragen   onderwaarderen   onderwijzen   onderzoeken   ontberen   ontbloten   ontbreken   ontcijferen   ontdekken   ontdooien   onteren   onthoofden   onthouden   onthullen   ontkennen   ontkorrelen   ontladen   ontlokken   ontmantelen   ontmaskeren   ontmoedigen   ontmoeten   ontraden   ontrafelen   ontschepen   ontslaan   ontsluieren   ontsluiten   ontsmetten   ontsnappen   ontvangen   ontvoeren   ontwaarden   ontwaken   ontwarren   ontwateren   ontwerpen   ontwijken   ontwikkelen   ontwortelen   oogsten   oordelen   opbouwen   opbrengen   openbaren   openstaan   opereren   ophalen   oplichten   oproepen   opslaan   opstaan   opstarten   optimaliseren   optreden   opzetten   ordenen   organiseren   orkestreren   overdrijven   overeenkomen   overlijden   overnemen   overschatten   overschrijden   overschrijven   overtreffen   overtuigen   overwegen   overweldigen   overwinteren   pacificeren   pakken   parafraseren   parodiëren   peinzen   pellen   penetreren   perforeren   persen   pijnigen   pijpen   pissen   plaatsen   plagen   plannen   pleiten   plezieren   ploegen   plukken   plunderen   pochen   pogen   polijsten   pompen   pontificeren   porren   portretteren   posten   postuleren   prakken   praktiseren   praten   prefereren   pressen   prijzen   privatiseren   proberen   proclameren   produceren   projecteren   promoveren   publiceren   raadplegen   raaskallen   raden   raffineren   raken   rammelen   rangschikken   rantsoeneren   raspen   ratelen   ratificeren   rationaliseren   recapituleren   reciteren   rectificeren   redden   redigeren   reduceren   regelen   regenen   regeren   registreren   reguleren   rehabiliteren   reinigen   reizen   rekenen   rekruteren   remmen   renoveren   repareren   repeteren   reserveren   restaureren   reviseren   rijden   rijgen   rijzen   roddelen   roepen   roeren   roken   ronddraaien   roosteren   rouwen   roven   ruiken   ruilen   runnen   rusten   ruziën   samenstellen   samenvatten   sanctioneren   saneren   schaatsen   schaden   schakeren   schallen   schatten   scheiden   schelden   schenden   schenken   scheppen   scheren   schermen   schetsen   scheuren   schieten   schijnen   schilderen   schillen   schommelen   schoonmaken   schrappen   schreeuwen   schreien   schrijden   schrijven   schrikken   schrobben   schroeven   schrokken   schromen   schudden   schuilen   schuiven   schuren   selecteren   serveren   sidderen   sieren   situeren   sjoemelen   slaan   slachten   slagen   slapen   slempen   slepen   slijpen   slijten   slikken   slingeren   slopen   sluipen   sluiten   smaken   smeden   smeken   smelten   smeren   smijten   smokkelen   sneeuwen   snellen   snijden   snikken   snipperen   snoeien   snoepen   snuffelen   snuiven   snurken   sommeren   sorteren   spannen   sparen   specificeren   spelen   spellen   spijkeren   spinnen   spioneren   splijten   spoelen   spotten   spreken   sprenkelen   springen   sproeien   spugen   spuiten   staan   stamelen   stapelen   stappen   staren   starten   staven   steken   stelen   stellen   stemmen   stempelen   sterven   steunen   stichten   stijgen   stijven   stikken   stilstaan   stimuleren   stinken   stoelen   stoppen   storen   storten   stoten   stoven   straffen   strelen   streven   strijden   strijken   strikken   strompelen   strooien   struikelen   studeren   stuiten   stuiteren   sturen   subsidiëren   substitueren   suggereren   surfen   sussen   synchroniseren   tackelen   talmen   tanen   tarten   tasten   taxeren   tegenkomen   tegenspreken   tegenwerken   teisteren   tekenen   telefoneren   telegraferen   telen   teleurstellen   tellen   temmen   temperen   terechtstaan   terugbetalen   teruggeven   terughouden   terugkeren   terugkomen   terugnemen   testen   thuiskomen   tillen   toekennen   toelaten   toestaan   toestemmen   toevoegen   toezeggen   tonen   toveren   trainen   transformeren   transpireren   transplanteren   transponeren   trappen   treden   treffen   treiteren   trekken   treuren   treuren   triomferen   troetelen   troosten   trotseren   trouwen   tutoyeren   twijfelen   typen   uitademen   uitblazen   uitbreiden   uitdagen   uitdiepen   uiteenzetten   uiten   uitgaan   uitgeven   uitkeren   uitkiezen   uitkleden   uitkotsen   uitlachen   uitleggen   uitmaken   uitnodigen   uitoefenen   uitrekenen   uitschakelen   uitslapen   uitsluiten   uitspreken   uitstallen   uitsteken   uitstellen   uitstralen   uitvinden   uitvoeren   uitzenden   uitzetten   uitzoeken   upgraden   usurperen   vallen   vangen   varen   vastbinden   vastdraaien   vasten   vasthouden   vaststellen   vatten   vechten   vegen   vellen   ventileren   verafschuwen   veranderen   verankeren   verantwoorden   verbannen   verbazen   verbergen   verbeteren   verbieden   verbijsteren   verbinden   verbleken   verblinden   verbouwen   verbranden   verbreken   verbrijzelen   verbruiken   verdagen   verdedigen   verdelen   verdienen   verdiepen   verdonkeren   verdragen   verdrievoudigen   verdrijven   verdubbelen   verduisteren   verdunnen   verdwalen   verdwijnen   vereenvoudigen   vereeuwigen   vereffenen   verengelsen   verenigen   vereren   verergeren   verfilmen   verfraaien   verfrissen   vergaderen   vergaren   vergelden   vergelijken   vergemakkelijken   vergen   vergeten   vergeven   vergiftigen   vergoddelijken   vergoeden   vergroten   verhalen   verhandelen   verheerlijken   verhinderen   verhogen   verhongeren   verhoren   verhuizen   verhuren   verifiëren   verijdelen   verjagen   verkennen   verkiezen   verklaren   verkleinen   verklikken   verknallen   verknoeien   verkondigen   verkopen   verkorten   verkrachten   verkrijgen   verkwisten   verlagen   verlammen   verlangen   verlaten   verleiden   verlenen   verlengen   verlichten   verliezen   verlijden   verlokken   verlossen   vermaken   vermalen   vermanen   vermeerderen   vermelden   vermengen   vermenigvuldigen   vermijden   verminderen   verminken   vermoeden   vermoeien   vermommen   vermoorden   vernauwen   vernederen   vernemen   vernielen   vernietigen   vernieuwen   vernissen   veronachtzamen   veronderstellen   verontreinigen   verontrusten   verontschuldigen   veroordelen   veroorzaken   veroveren   verplaatsen   verplegen   verraden   verrassen   verrekenen   verrichten   verschaffen   verschijnen   verschillen   verschuiven   versieren   verslinden   versnipperen   versperren   verspreiden   verstaan   verstellen   versterken   verstoren   verstrekken   vertalen   vertegenwoordigen   vertellen   vertellen   verteren   vertoeven   vertolken   vertonen   vertragen   vertrekken   vertrouwen   vervaardigen   vervalsen   vervangen   verven   verversen   vervoeren   vervolgen   verwachten   verwarmen   verwarren   verwennen   verwerken   verwerven   verwijden   verwijderen   verwijten   verwijzen   verwisselen   verwoesten   verwonden   verzamelen   verzekeren   verzenden   verzetten   verzoeken   verzorgen   verzuimen   verzwijgen   vieren   vinden   vissen   vlechten   vleien   vliegen   vloeken   vluchten   voeden   voelen   voeren   voldoen   volgen   volharden   volhouden   voltooien   voorbereiden   voorbijgaan   voorlezen   voorspellen   voorstellen   voortspruiten   voorzien   vouwen   vragen   vreten   vrezen   vriezen   vrijstellen   vullen   waarderen   waarnemen   waarschuwen   wachten   wagen   waken   wandelen   wassen   wedden   weergeven   wegen   weggaan   weglaten   weigeren   wekken   wensen   werken   werpen   werven   weten   weven   wijken   wijten   wijzen   wijzigen   willen   winden   winkelen   winnen   wisselen   wissen   wonen   worden   worstellen   wreken   wrijven   wuiven   zakken   zegenen   zegevieren   zeggen   zeilen   zenden   zetten   zien   zijn   zingen   zinken   zinnen   zitten   zoeken   zoenen   zondigen   zorgen   zuchten   zuigen   zuiveren   zullen   zwaaien   zwellen   zwemmen   zweren   zwerven   zwijgen